Wijnsnobs zijn mensen die heel veel bla bla kunnnen verkopen. Ze doen alsof ze alles van wijn weten en willen anderen hun mening opdringen. Vreemd, want iedereen moet zelf beslissen welke wijn hij lekker vindt of wat voor soort wijn hij bij een bepaald gerecht wil drinken. Adviezen of informatie zijn natuurlijk waardevol, maar zodra iemand je vertelt hoe het hoort of wat je lekker moet vinden, dan moet je uitkijken! Er geldt maar één vaste wet in de wijnwereld: alleen je eigen smaakt telt.
Toch bestaan er wel wat regels bij het serveren van wijn. Ze zijn niet verplicht, maar als je je eraan houdt, zullen veel mensen denken dat je een wijnkenner bent.
Laten we beginnen bij de wijnglazen. Die moeten ruim en kleurloos zijn, ze moeten een toelopende kelk en een steel hebben. Kleurloos zodat je de kleur van de wijn goed kunt inspecteren, ruim zodat je de wijn in het glas goed kunt walsen. De toelopende kelk is om de geur vast te houden. De steel is bedoeld om een wijnglas vast te kunnen pakken. Anders wordt de wijn in je glas warm door je hand.
Bovendien kun je een glas op een steel goed tegen het licht houden, om de kleur van de wijn te bekijken. De drinktemperatuur van wijn is belangrijk. Witte wijnen, rosé en mousserende wijnen worden meestal gekoeld gedronken. Rode wijnen juist weer niet. Zet daarom een fles rode wijn die koel gelegen heeft een paar uur van te voren in de kamer, om hem langzaam op kamertemperatuur te laten komen (chambreren). Dat is een graad of 18. De term kamertemperatuur stamt nog uit de tijd dat huizen nog geen centrale verwarming hadden. De gemiddelde kamertemperatuur lag toen natuurlijk een stuk lager dan de 21 graden van de tegenwoordige kamers. Degene die thuis de wijn inschenkt, schenkt altijd eerst een bodempje in zijn eigen glas. Dan kan hij even ruiken en proeven, zodat hij weet wat hij zijn gasten voorzet. Als hij tevreden is, schenkt hij de glazen van de anderen in. Nooit vol, maar hooguit tot tweederde. Een heleboel mensen denken dat het
beleefd is om het glas van de gasten steeds maar weer vol te schenken. Het is beter om altijd te vragen of iemand nog wel wijn wil hebben. Begin in elk geval nooit met drinken als de anderen nog niet van hun wijn gedronken hebben. Het is bij ons gangbaar om eerst op elkaars gezondheid te proosten en daarna pas een slok te nemen. En om het glas na iedere slok weer even neer te zetten.
Wijn bij het eten
Wijn is door de eeuwen heen bedoeld geweest om aan tafel te drinken, bij het eten. De moeilijkste vraag was daarbij altijd: welke kleur of soort wijn hoort bij welk gerecht en waarom? Eigenlijk maakt het niet zoveel uit, het hangt er vanaf waar je van houdt. Maar over het algemeen kun je zeggen dat rode wijn goed gedronken kan worden bij rood vlees (zoals biefstuk) of bij wildgerechten.
Witte wijnen of rosé worden over het algemeen gedronken bij wit vlees, zoals kip en vis. Maar zoals gezegd, het is geen must. Waar het om gaat is dat de wijn exclusief uitgekozen wordt bij het gerecht en dus ook echt bij het gerecht past. De wijn die asperges een extra oppepper kan geven, zal bij een hete oosterse rijsttafel over het
algemeen in de verdrukking komen. En de wijn die uitstekend smaakt bij de chili con carne zal vermoedelijk zó krachtig van smaak zijn, dat een omelet er smakeloos van wordt. Sommige gerechten kunnen botsen met de wijn, andere vullen elkaar juist aan. Op het gebied van zulke wijn-spijscombinaties wordt dan ook flink wat geëxperimenteerd. Wijnliefhebbers vinden het spannend om nieuwe dingen uit te proberen en om uit te vinden welke wijnen en gerechten goed bij elkaar passen.
Soms is het resultaat honderd procent knudde, maar soms is het een schot in de roos. Veel combinaties zijn bekend geworden omdat ze goed smaakten. Zoals rode port met kaas, sherry met gerookte ham, rosé met borrelhapjes en kaasfondue met witte wijn. En er bestaan zoete witte wijnen, die vaak gedronken worden bij het nagerecht. Daarom heten ze dessertwijnen. Wil je eens gratis hulp of wijnadvies bij je gerecht? Stuur ons een mail |